Security quiz
PISA: Providing Information about Internet Security Aspects
Privacy: Regelgeving

Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

Gecoördineerde versie, zoals laatst gewijzigd door de wet van 11 december 1998, B.S., 3 februari 1999.

HOOFDSTUK IArt. 1-3
  • Begripsomschrijvingen, beginsel en werkingssfeer
HOOFDSTUK II Art. 4-8
  • Algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens
HOOFDSTUK III Art. 9-15
  • Rechten van de betrokkene
HOOFDSTUK IV Art. 16
  • Vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerking
HOOFDSTUK V Art. 17-20
  • Voorafgaande aangifte en openbaarheid van de verwerkingen
HOOFDSTUK VI Art. 21
  • Doorgifte van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Gemeenschap
HOOFDSTUK VII Art. 22-36
  • Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
HOOFDSTUK VIII Art. 37-43
  • Strafbepalingen
HOOFDSTUK IX Art. 44-52
  • Slotbepalingen
 

Hoofdstuk I

Begripsomschrijvingen, beginsel en werkingssfeer

Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt onder " persoonsgegevens "  iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna " betrokkene " genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.

§ 2. Onder " verwerking "  wordt verstaan elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens.

§ 3. Onder " bestand " wordt verstaan elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze.

§ 4. Onder " verantwoordelijke voor de verwerking " wordt de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt.

Indien het doel en de middelen voor de verwerking door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn bepaald, is de verantwoordelijke voor de verwerking de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die door of krachtens de wet, het decreet of de ordonnantie als de voor de verwerking verantwoordelijke wordt aangewezen.

§ 5. Onder " verwerker "wordt de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan die ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken.

§ 6. Onder " derde " wordt de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan, niet zijnde de betrokkene, noch de verantwoordelijke voor de verwerking, noch de verwerker, noch de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de verwerker gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken.

§ 7. Onder " ontvanger " wordt de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan, aan wie de gegevens worden meegedeeld, ongeacht of het al dan niet een derde betreft; administratieve of gerechtelijke instanties aan wie gegevens kunnen worden meegedeeld in het kader van een bijzondere onderzoeksprocedure worden evenwel niet beschouwd als ontvangers.

§ 8. Onder " toestemming van de betrokkene " (consentement de la personne concernée) wordt elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting verstaan, waarmee de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger aanvaardt dat persoonsgegevens betreffende de betrokkene worden verwerkt.

Art. 2. Iedere natuurlijke persoon heeft in verband met de verwerking van persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, recht op bescherming van zijn fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

Art. 3. § 1. Deze wet is van toepassing op elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op elke niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens die door een natuurlijk persoon in activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden wordt verricht.

§ 3. a) De artikelen 6, 7 en 8 zijn niet van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden wanneer de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens die kennelijk publiek zijn gemaakt door de betrokken persoon of die in nauw verband staan met het publiek karakter van de betrokken persoon of van het feit waarin die persoon betrokken is.

b) Artikel 9, § 1 is niet van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden wanneer de toepassing ervan de verzameling van gegevens bij de betrokken persoon in het gedrang zou brengen.

Artikel 9, § 2 is niet van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden wanneer de toepassing ervan tot één of meer van de volgende gevolgen zou leiden :

-door de toepassing wordt de verzameling van gegevens in het gedrang gebracht;

-door de toepassing wordt een voorgenomen publicatie in het gedrang gebracht;

-de toepassing zou aanwijzingen verschaffen over de bronnen van informatie.

c) De artikelen 10 en 12 zijn niet van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden in de mate dat de toepassing ervan een voorgenomen publicatie in het gedrang zou brengen of aanwijzingen zou verschaffen over de bronnen van informatie.

d) De artikelen 17, § 3, 9° en 12° , § 4 en § 8, evenals de artikelen 18, 21 en 22 zijn niet van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden.

§ 4. De artikelen 6 tot 10, 12, 14, 15, 17, 17bis, eerste lid, 18, 20 en 31, §§ 1 tot 3, zijn niet van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens door de Veiligheid van de Staat, door de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht, door de Veiligheidsautoriteit, door de veiligheidsofficieren en door het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten en de Dienst Enquêtes ervan, indien die verwerkingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun opdrachten.

§ 5. De artikelen 9, 10, § 1 en 12 zijn niet van toepassing :

1° op de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door openbare overheden met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie;

2° op de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door de politiediensten bedoeld in artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie;

3° op de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd, met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie, door andere openbare overheden die aangewezen zijn bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

4° op de verwerkingen van persoonsgegevens die noodzakelijk zijn geworden ten gevolge van de toepassing van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld;

5° op de verwerking van persoonsgegevens beheerd door het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en de Dienst Enquêtes ervan met het oog op de uitoefening van hun wettelijke opdrachten.

§ 6. De artikelen 6, 8, 9, 10 , § 1 en 12 zijn niet van toepassing na een machtiging door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, op de verwerkingen beheerd door het Europees Centrum voor vermiste en seksueel uitgebuite kinderen, hierna genoemd " het Centrum ", instelling van openbaar nut die is opgericht bij akte van 25 juni 1997 en erkend bij koninklijk besluit van 10 juli 1997 voor de ontvangst, de overzending aan de gerechtelijke overheid en de opvolging van gegevens betreffende personen die ervan verdacht worden in een bepaald dossier van vermissing of seksuele uitbuiting, een misdaad of wanbedrijf te hebben begaan. Dit besluit bepaalt de duur en de voorwaarden van de machtiging na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het Centrum kan geen bestand houden betreffende personen die ervan verdacht worden een misdaad of wanbedrijf te hebben begaan of van veroordeelde personen.

De raad van beheer van het Centrum wijst onder de personeelsleden van het Centrum een aangestelde voor de gegevensverwerking aan die kennis heeft van het beheer en de bescherming van persoonsgegevens. De uitoefening van zijn taken mag voor de aangestelde geen nadelen ten gevolge hebben. Hij mag in het bijzonder, niet ontslagen of als aangestelde vervangen worden wegens de uitoefening van de taken die hem zijn toevertrouwd. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de taken van de aangestelde en de wijze waarop deze worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop het Centrum verslag dient uit te brengen aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de verleende machtiging.

De personeelsleden en degenen die voor het Centrum persoonsgegevens verwerken, zijn tot geheimhouding verplicht.

Elke schending van die geheimhoudingsplicht wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in artikel 458 van het Strafwetboek.

In het raam van zijn ondersteunende taken inzake de opsporing van de als vermist of ontvoerd opgegeven kinderen, kan het Centrum alleen telefoongesprekken opnemen wanneer de oproeper hierover geïnformeerd wordt en voor zover hij zich daartegen niet heeft verzet.

Art. 3bis. Deze wet is van toepassing :

1° op de verwerking van persoonsgegevens die wordt verricht in het kader van de effectieve en daadwerkelijke activiteiten van een vaste vestiging van de verantwoordelijke voor de verwerking op het Belgisch grondgebied of op een plaats waar de Belgische wet uit hoofde van het internationaal publiek recht van toepassing is;

2° op de verwerking van persoonsgegevens door een verantwoordelijke die geen vaste vestiging op het grondgebied van de Europese Gemeenschap heeft, indien voor de verwerking van persoonsgegevens gebruik gemaakt wordt van al dan niet geautomatiseerde middelen die zich op het Belgisch grondgebied bevinden, andere dan degene die uitsluitend aangewend worden voor de doorvoer van de persoonsgegevens over het Belgisch grondgebied.

In de in het vorige lid onder 2° bedoelde omstandigheden moet de verantwoordelijke voor de verwerking een op het Belgisch grondgebied gevestigde vertegenwoordiger aanwijzen, onverminderd rechtsvorderingen die tegen de verantwoordelijke zelf kunnen worden ingesteld.

Hoofdstuk II

Algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens

Art. 4. § 1. Persoonsgegevens dienen :

1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt;

2° voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden te worden verkregen en niet verder te worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de betrokkene en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, onverenigbaar is met die doeleinden.

Onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wordt verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden niet als onverenigbaar beschouwd;

3° toereikend, terzake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt;

4° nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te verbeteren;

5° in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer te worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt, noodzakelijk is. De Koning voorziet, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in passende waarborgen voor persoonsgegevens die, langer dan hiervóór bepaald, voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

§ 2. Op de verantwoordelijke voor de verwerking rust de plicht om voor de naleving van het bepaalde in § 1 zorg te dragen.

Art. 5. Persoonsgegevens mogen slechts verwerkt worden in één van de volgende gevallen :

a) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of voor de uitvoering van maatregelen die aan het sluiten van die overeenkomst voorafgaan en die op verzoek van de betrokkene zijn genomen;

c) wanneer de verwerking noodzakelijk is om een verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie;

d) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

e) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt;

f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen.

De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, nader bepalen in welke gevallen de onder f) bedoelde voorwaarde niet geacht wordt te zijn vervuld.

Art. 6. § 1. De verwerking van persoonsgegevens waaruit de raciale of etnische afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging of het lidmaatschap van een vakvereniging blijken, alsook de verwerking van persoonsgegevens die het seksuele leven betreffen, is verboden.

§ 2. Het verbod om de in § 1 van dit artikel bedoelde persoonsgegevens te verwerken, is niet van toepassing in een van de volgende gevallen :

a) wanneer de betrokkene schriftelijk heeft toegestemd in een dergelijke verwerking met dien verstande dat deze toestemming te allen tijde door de betrokkene kan worden ingetrokken; de Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepalen in welke gevallen het verbod om de in dit artikel bedoelde gegevens te verwerken niet door de schriftelijke toestemming van de betrokkene ongedaan kan worden gemaakt;

b) wanneer de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de specifieke verplichtingen en rechten van de verantwoordelijke voor de verwerking met betrekking tot het arbeidsrecht;

c) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter verdediging van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere persoon indien de betrokkene fysiek of juridisch niet in staat is zijn instemming te getuigen;

d) wanneer de verwerking wordt verricht door een stichting, een vereniging of enige andere instantie zonder winstoogmerk die op politiek, levensbeschouwelijk, godsdienstig, mutualistisch of vakbondsgebied werkzaam is, in het kader van haar gerechtvaardigde activiteiten, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden van de stichting, de vereniging of de instantie of op de personen die in verband met haar streefdoelen regelmatige contacten met haar onderhouden, en de gegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen aan derden worden doorgegeven;

e) wanneer de verwerking betrekking heeft op gegevens die duidelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;

f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte;

g) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het wetenschappelijk onderzoek en verricht wordt onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

h) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling vastgesteld door of krachtens de wet met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid;

i) wanneer de verwerking wordt verricht in uitvoering van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek;

j) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de doeleinden van preventieve geneeskunde of medische diagnose, het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een verwant, of het beheer van gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg;

k) wanneer de verwerking door verenigingen met rechtspersoonlijkheid of instellingen van openbaar nut die als hoofddoel de verdediging van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden hebben, verricht wordt voor de verwezenlijking van dat doel, op voorwaarde dat voor de verwerking een machtiging is verleend door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

l) wanneer de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in § 1 om een andere belangrijke reden van publiek belang door een wet, een decreet of een ordonnantie wordt toegelaten.

In het geval bedoeld onder j) zijn de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg en zijn aangestelden of gemachtigden tot geheimhouding verplicht.

§ 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 7 en 8 van deze wet is de verwerking van persoonsgegevens die het seksuele leven betreffen, toegestaan wanneer de verwerking wordt verricht door een vereniging met rechtspersoonlijkheid of door een instelling van openbaar nut met als statutair hoofddoel de evaluatie, de begeleiding en de behandeling van personen van wie het seksueel gedrag gekwalificeerd kan worden als een misdrijf en die voor de verwezenlijking van dat doel door de bevoegde overheid worden erkend en gesubsidieerd; voor dergelijke verwerkingen, waarvan de bedoeling moet bestaan in de evaluatie, begeleiding en behandeling van de in deze paragraaf bedoelde personen en de verwerking uitsluitend persoonsgegevens betreft die, wanneer ze het seksueel leven betreffen, enkel betrekking hebben op laatstgenoemde personen, moet door de Koning bij een in een Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een bijzondere, individuele machtiging worden verleend.

Het in deze paragraaf bedoelde besluit preciseert de duur van de machtiging, de modaliteiten voor de controle van de gemachtigde vereniging of instelling door de bevoegde overheid en de wijze waarop door deze overheid aan de Commissie voor de persoonlijke levenssfeer verslag moet worden uitgebracht over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de verleende machtiging.

§ 4. De Koning legt bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de bijzondere voorwaarden op waaraan de verwerking van de in dit artikel bedoelde persoonsgegevens moet voldoen.

Art. 7 § 1. De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, is verboden.

§ 2. Het verbod om de in § 1 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, is niet van toepassing in de volgende gevallen :

a) wanneer de betrokkene schriftelijk heeft toegestemd in een dergelijke verwerking met dien verstande dat deze toestemming te allen tijde door de betrokkene kan worden ingetrokken; de Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepalen in welke gevallen het verbod om gegevens betreffende de gezondheid te verwerken niet door de schriftelijke toestemming van de betrokkene ongedaan kan worden gemaakt;

b) wanneer de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de specifieke verplichtingen en rechten van de verantwoordelijke voor de verwerking met betrekking tot het arbeidsrecht;

c) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling vastgesteld door of krachtens de wet met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid;

d) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de bevordering en de bescherming van de volksgezondheid met inbegrip van bevolkingsonderzoek;

e) wanneer de verwerking om redenen van zwaarwegend algemeen belang verplicht wordt door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie;

f) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter verdediging van vitale belangen van de betrokkene of van een andere persoon indien de betrokkene fysiek of juridisch niet in staat is om zijn toestemming te geven;

g) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen van een concreet gevaar of voor de beteugeling van een bepaalde strafrechtelijke inbreuk;

h) wanneer de verwerking betrekking heeft op gegevens die duidelijk door de betrokkene zijn openbaar gemaakt;

i) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte;

j) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor doeleinden van preventieve geneeskunde of medische diagnose, het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een verwant, of het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg;

k) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het wetenschappelijk onderzoek en verricht wordt onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 3. De Koning legt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bijzondere voorwaarden vast waaraan de verwerking van de in dit artikel bedoelde persoonsgegevens moet voldoen.

§ 4. Persoonsgegevens betreffende de gezondheid mogen, behoudens schriftelijke toestemming van de betrokkene of wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen van een dringend gevaar of voor de beteugeling van een bepaalde strafrechtelijke inbreuk, enkel worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen welke categorieën van personen als beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg in de zin van deze wet worden beschouwd.

Bij de verwerking van de in dit artikel bedoelde persoonsgegevens zijn de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg en zijn aangestelden of gemachtigden, tot geheimhouding verplicht.

§ 5. Persoonsgegevens betreffende de gezondheid moeten worden ingezameld bij de betrokkene.

Zij kunnen slechts via andere bronnen worden ingezameld op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de paragrafen 3 en 4 van dit artikel en dat dit noodzakelijk is voor de doeleinden van de verwerking of de betrokkene niet in staat is om de gegevens te bezorgen.

Art. 8. § 1. De verwerking van persoonsgegevens inzake geschillen voorgelegd aan hoven en rechtbanken alsook aan administratieve gerechten, inzake verdenkingen, vervolgingen of veroordelingen met betrekking tot misdrijven, of inzake administratieve sancties of veiligheidsmaatregelen, is verboden.

§ 2. Het verbod om de in § 1 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, is niet van toepassing op verwerkingen :

a) onder toezicht van een openbare overheid of van een ministeriële ambtenaar in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, indien de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken;

b) door andere personen, indien de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van doeleinden die door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn vastgesteld;

c) door natuurlijke personen of door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen inzoverre dat noodzakelijk is voor het beheer van hun eigen geschillen;

d) door advocaten of andere juridische raadgevers inzoverre de verwerking noodzakelijk is voor de verdediging van de belangen van de cliënten;

e) die noodzakelijk zijn voor het wetenschappelijk onderzoek en verricht worden onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 3. De personen die krachtens § 2 gemachtigd zijn om de in § 1 bedoelde persoonsgegevens te verwerken, zijn tot geheimhouding verplicht.

§ 4. De Koning legt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bijzondere voorwaarden vast waaraan de verwerking van de in § 1 bedoelde persoonsgegevens moet voldoen. ".

Hoofdstuk III

Rechten van de betrokkene

Art. 9. § 1. Indien persoonsgegevens betreffende de betrokkene bij hemzelf worden verkregen, moet de verantwoordelijke voor de verwerking of diens vertegenwoordiger uiterlijk op het moment dat de gegevens worden verkregen aan de betrokkene ten minste de hierna volgende informatie verstrekken, behalve indien hij daarvan reeds op de hoogte is :

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger;

b) de doeleinden van de verwerking;

c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de verwerking verricht wordt met het oog op direct marketing;

d) andere bijkomende informatie, met name :

-de ontvangers of de categorieën ontvangers van de gegevens,

-het al dan niet verplichte karakter van het antwoord en de eventuele gevolgen van niet-beantwoording,

-het bestaan van een recht op toegang en op verbetering van de persoonsgegevens die op hem betrekking hebben;

behalve indien die verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de persoonsgegevens verkregen worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen;

e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 2. Indien de persoonsgegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen, moet de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger, op het moment van de registratie van de gegevens of wanneer mededeling van de gegevens aan een derde wordt overwogen, uiterlijk op het moment van de eerste mededeling van de gegevens, tenminste de volgende informatie verstrekken, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is :

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger;

b) de doeleinden van de verwerking;

c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de verwerking verricht wordt met het oog op direct marketing; in dit geval dient de betrokkene in kennis te worden gesteld vooraleer de persoonsgegevens voor de eerste keer aan een derde worden verstrekt of voor rekening van derden worden gebruikt voor direct marketing;

d) andere bijkomende informatie, met name :

-de betrokken gegevenscategorieën;

-de ontvangers of de categorieën ontvangers;

-het bestaan van een recht op toegang en op verbetering van de persoonsgegevens die op hem betrekking hebben;

behalve indien die verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de gegevens verwerkt worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen;

e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De verantwoordelijke voor de verwerking wordt van de in deze paragraaf bedoelde kennisgeving vrijgesteld

a) wanneer, met name voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek of voor bevolkingsonderzoek met het oog op de bescherming en de bevordering van de volksgezondheid, de kennisgeving aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost;

b) wanneer de registratie of de verstrekking van de persoonsgegevens verricht wordt met het oog op de toepassing van een bepaling voorgeschreven door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de voorwaarden voor de toepassing van het vorige lid.

Indien de eerste mededeling van de gegevens geschiedde vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, moet de mededeling van de informatie, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk geschieden binnen een termijn van 3 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze bepaling. De informatie moet evenwel niet worden meegedeeld indien de verantwoordelijke voor de verwerking was vrijgesteld van de verplichting om de betrokkene in kennis te stellen van de registratie van de gegevens krachtens de wettelijke en reglementaire bepalingen van toepassing op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze bepaling.

Art. 10. § 1. De betrokkene die zijn identiteit bewijst, heeft het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking te verkrijgen :

a) kennis van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, van de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en van de categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;

b) verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens;

c) mededeling van de logica die aan een geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens ten grondslag ligt in geval van geautomatiseerde besluitvorming in de zin van artikel 12bis;

d) kennis van de mogelijkheid om de in de artikelen 12 en 14 bedoelde beroepen in te stellen en eventueel inzage te nemen van het in artikel 18 bedoelde openbaar register.

Daartoe richt de betrokkene een gedagtekend en ondertekend verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan iedere andere persoon die de Koning aanwijst.

De inlichtingen worden onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld.

De Koning kan nadere regelen voor de uitoefening van het in het eerste lid bedoelde recht bepalen.

§ 2. Elke persoon heeft het recht om, hetzij op rechtstreekse wijze, hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, kennis te krijgen van de persoonsgegevens die betreffende zijn gezondheid worden verwerkt.

Op verzoek van de verantwoordelijke van de verwerking of op verzoek van de betrokkene kan de mededeling gebeuren door tussenkomst van een door de betrokkene gekozen beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

Indien er duidelijk geen gevaar is voor inbreuken op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en de gegevens niet gebruikt worden om maatregelen en besluiten te nemen ten aanzien van een individuele betrokkene, kan de kennisgeving ook worden uitgesteld indien de gezondheidsgegevens verwerkt worden voor medisch- wetenschappelijk onderzoek, doch slechts in de mate dat de kennisgeving het onderzoek op ernstige wijze zou schaden en uiterlijk tot op het moment van de beëindiging van het onderzoek.

In dat geval moet de betrokkene aan de verantwoordelijke voor de verwerking vooraf zijn schriftelijke toestemming hebben gegeven dat de hem betreffende persoonsgegevens voor medisch-wetenschappelijke doeleinden kunnen worden verwerkt en dat kennisgeving van deze persoonsgegevens om die reden kan worden uitgesteld.

§ 3. Aan een aanvraag bedoeld in § 1 en § 2 moet geen gevolg worden gegeven dan na verloop van een redelijke termijn, te rekenen van de dagtekening van een vroegere aanvraag van dezelfde persoon waarop is geantwoord of te rekenen van de dagtekening waarop de gegevens hem ambtshalve zijn meegedeeld.

 

Art. 11

(opgeheven bij Wet van 11 december 1998)

 

Art. 12

§1. Eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren.

" Eenieder is bovendien gerechtigd om wegens zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, zich ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behalve wanneer de rechtmatigheid van de verwerking gesteund is op de in artikel 5, b) en c) bedoelde redenen.

Indien de persoonsgegevens verkregen worden met het oog op direct marketing mag de betrokkene zich kosteloos en zonder enige motivering tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzetten.

In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de verantwoordelijke voor de verwerking verrichte verwerking niet langer op deze persoonsgegevens betrekking hebben. ;

Eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard.

§2. Om de in § 1 bedoelde rechten uit te oefenen dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de verantwoordelijke voor de verwerking of bij iedere andere persoon die de Koning aanwijst.

§ 3 Binnen een maand te rekenen van het tijdstip van indiening van het verzoek op grond van § 2, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking de verbeteringen of verwijderingen van gegevens, gedaan op grond van § 1, mee aan de betrokkene zelf, alsmede aan de personen aan wie de onjuiste, onvolledige of niet ter zake dienende gegevens zijn meegedeeld, voor zover hij nog kennis heeft van de bestemmelingen van de mededeling en de kennisgeving aan deze bestemmelingen niet onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.

Indien de betrokkene zich tegen de verwerking of de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzet in toepassing van § 1, tweede en derde lid, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking aan de betrokkene binnen dezelfde termijn mee welk gevolg hij aan het verzoek heeft gegeven.

§ 4 (opgeheven bij Wet van 11 december 1998)

 

Art. 12bis. Een besluit waaraan voor een persoon rechtsgevolgen verbonden zijn of dat hem in aanmerkelijke mate treft, mag niet louter worden genomen op grond van een geautomatiseerde gegevensverwerking die bestemd is om bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid te evalueren.

Het in het eerste lid vastgestelde verbod geldt niet indien het besluit wordt genomen in het kader van een overeenkomst of zijn grondslag vindt in een bepaling voorgeschreven door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie. In die overeenkomst of in die bepaling moeten passende maatregelen zijn genomen ter bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene. Minstens moet hem de mogelijkheid geboden worden om op nuttige wijze zijn standpunt naar voor te brengen.

 

Art. 13 Eenieder die zijn identiteit bewijst, is gerechtigd zich kosteloos tot de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te wenden, teneinde de in de artikelen 10 en 12 bedoelde rechten uit te oefenen ten aanzien van de verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in artikel 3, paragrafen 4, 5 en 6.

De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop deze rechten worden uitgeoefend.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer deelt uitsluitend aan de betrokkene mede dat de nodige verificaties werden verricht.

Evenwel bepaalt de Koning, na advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke informatie de commissie aan de betrokkene mag meedelen indien het verzoek van de betrokkene een verwerking van persoonsgegevens betreft door politiediensten met het oog op identiteitscontrole.

 

Art. 14. §1. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende zoals in kort geding, neemt kennis van de vorderingen betreffende het door of krachtens de wet verleende recht om kennis te krijgen van persoonsgegevens, alsook van de vorderingen tot verbetering, tot verwijdering of tot het verbieden van de aanwending van onjuiste persoonsgegevens of die gelet op het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel waarvan de registratie de mededeling of de bewaring verboden is tegen de verwerking waarvan de betrokkene zich heeft verzet of die langer bewaard werden dan de toegestane duur.

§2. De voorzitter van de rechtbank van de woonplaats van de eiser is bevoegd voor de in §1 bedoelde vorderingen. Indien de eiser geen woonplaats in België heeft, is de voorzitter van de rechtbank van de woonplaats van de verantwoordelijke voor de verwerking, die een natuurlijke persoon is, bevoegd. Indien de verantwoordelijke voor de verwerking een rechtspersoon is, is de voorzitter van de rechtbank van de maatschappelijke of administratieve zetel bevoegd.

De beschikking wordt in openbare rechtszitting uitgesproken. Zij is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep of verzet.

§3. De vordering wordt ingediend bij verzoekschrift op tegenspraak.

Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid :

1° de dag, de maand en het jaar;

2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser;

3° de naam, de voornaam en de woonplaats van de op te roepen persoon;

4° het voorwerp van de vordering en de korte samenvatting van de middelen;

5° de handtekening van de eiser of van zijn advocaat.

§4. Het verzoekschrift wordt bij ter post aangetekende brief toegezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.

Nadat, in voorkomend geval de rolrechten zijn betaald, worden de partijen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Bij de oproeping wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.

§5. De op grond van §1 ingestelde vordering is pas ontvankelijk als het verzoek, bedoeld in artikel 10, §1, of dat bedoeld in artikel 12, §2, is afgewezen of als daaraan naargelang het geval, binnen de door artikel 10, § 1, tweede lid dan wel door artikel 12, § 3, eerste lid, voorgeschreven termijn geen gevolg is gegeven.

§6. Indien onjuiste, onvolledige of niet ter zake dienende gegevens of gegevens waarvan de bewaring verboden is aan derden zijn medegedeeld, dan wel wanneer een mededeling van gegevens heeft plaatsgehad na verloop van de tijd waarin de bewaring van die gegevens toegelaten is, kan de voorzitter van de rechtbank gelasten dat de verantwoordelijke voor de verwerking aan die derden van de verbetering of de verwijdering van die gegevens kennis geeft.

§7. Wanneer dwingende redenen de vrees doen rijzen dat bewijsmateriaal dat kan worden aangevoerd bij een in §1 bedoelde vordering zou kunnen worden verheeld of verdwijnen, gelast de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op eenzijdig verzoekschrift, ondertekend en ingediend door de partij of haar advocaat, elke maatregel ter voorkoming van die verheling of verdwijning.

§8. De bepalingen van de §§6 en 7 houden geen beperking in van de algemene bevoegdheid ter zake van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding.

 

Art. 15. Onmiddellijk bij het ontvangen van het verzoek tot verbetering, verwijdering of verbod van gebruik of bekendmaking van persoonsgegevens of bij de kennisgeving van de instelling van het geding bedoeld in artikel 14 en tot een beslissing in kracht van gewijsde is getreden, dient de verantwoordelijke voor de verwerking bij elke mededeling van een persoonsgegeven duidelijk aan te geven dat het gegeven betwist is.

 

Art. 15bis. Indien een betrokkene schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet bepaalde voorschriften, zijn het hiernavolgende tweede en derde lid van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

De verantwoordelijke voor de verwerking is aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit een handeling in strijd met de bij of krachtens deze wet bepaalde voorschriften.

Hij is van deze aansprakelijkheid ontheven indien hij bewijst dat het feit dat de schade heeft veroorzaakt hem niet kan worden toegerekend.

 

Hoofdstuk IV

Vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerking

Art. 16. § 1. Indien de verwerking wordt toevertrouwd aan een verwerker, moet de verantwoordelijke voor de verwerking, en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger in België :

1° een verwerker kiezen die voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te verrichten verwerking;

2° toezien op de naleving van die maatregelen, met name door ze vast te leggen in contractuele bepalingen;

3° de aansprakelijkheid van de verwerker ten aanzien van de verantwoordelijke voor de verwerking vaststellen in de overeenkomst;

4° met de verwerker overeenkomen dat de verwerker slechts handelt in opdracht van de verantwoordelijke voor de verwerking en dat de verwerker is gebonden door dezelfde verplichtingen als deze die waartoe de verantwoordelijke in toepassing van paragraaf 3 is gehouden;

5° in een geschrift of op een elektronische drager de elementen van de overeenkomst met betrekking tot de bescherming van de gegevens en de eisen met betrekking tot de maatregelen bedoeld in paragraaf 3 vaststellen.

§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger in België moet :

1° er nauwlettend over waken dat de gegevens worden bijgewerkt, dat de onjuiste, onvolledige en niet terzake dienende gegevens, alsmede die welke zijn verkregen of verder verwerkt in strijd met de artikelen 4 tot 8, worden verbeterd of verwijderd;

2° ervoor zorgen dat voor de personen die onder zijn gezag handelen, de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden, beperkt blijven tot hetgeen die personen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken of tot hetgeen noodzakelijk is voor de behoeften van de dienst;

3° alle personen die onder zijn gezag handelen, kennisgeven van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsmede van alle relevante voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die bij het verwerken van persoonsgegevens gelden;

4° zich ervan vergewissen of programma’s voor de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming zijn met de vermeldingen van de aangifte waarvan sprake is in artikel 17 en dat er geen wederrechtelijk gebruik van wordt gemaakt.

§ 3. Eenieder die handelt onder het gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de verwerker alsmede de verwerker zelf, die toegang heeft tot persoonsgegevens, mag deze slechts in opdracht van de verantwoordelijke voor de verwerking verwerken, behoudens op grond van een verplichting door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie.

§ 4 Om de veiligheid van de persoonsgegevens te waarborgen, moeten de verantwoordelijke voor de verwerking, en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger in België, alsmede de verwerker, de gepaste technische en organisatorische maatregelen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de persoonsgegevens tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, tegen toevallig verlies, evenals tegen de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens.

Deze maatregelen moeten een passend beveiligingsniveau verzekeren, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek terzake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's.

Op advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de Koning voor alle of voor bepaalde categorieën van verwerkingen aangepaste normen inzake informaticaveiligheid uitvaardigen.

 

Hoofdstuk V

Voorafgaande aangifte en openbaarheid van de verwerkingen

Art. 17 § 1. Voordat wordt overgegaan tot één of meer volledig of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van gegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd zijn, doet de verantwoordelijke voor de verwerking of, in voorkomend geval, diens vertegenwoordiger, daarvan aangifte bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het vorige lid is niet van toepassing op verwerkingen die alleen tot doel hebben een register bij te houden dat door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie bedoeld is om het publiek voor te lichten en door eenieder dan wel door ieder persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan beroepen, kan worden geraadpleegd.

§ 2 De Commissie doet binnen drie werkdagen een ontvangbewijs van de aangifte geworden.

Indien de aangifte onvolledig is, moet de Commissie de aangever daarvan op de hoogte brengen.

§ 3. Deze aangifte moet vermelden :

1° de datum van de aangifte en in voorkomend geval, de wet, het decreet of de ordonnantie of de reglementaire akte waarbij de geautomatiseerde verwerking wordt ingesteld;

2° de naam, de voornamen en het volledig adres of de benaming en de zetel van de houder van het bestand en in voorkomend geval van zijn vertegenwoordiger in België;

(opgeheven)

4° de benaming van de geautomatiseerde verwerking;

het doel of het geheel van samenhangende doeleinden van de geautomatiseerde verwerking;

6° de categorieën van de verwerkte persoonsgegevens met een bijzondere beschrijving van de gegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8;

7° de categorieën van ontvangers aan wie de gegevens kunnen worden verstrekt;

8° de waarborgen die aan de mededeling van gegevens aan derden verbonden moeten zijn;

9° de wijze waarop de personen op wie de gegevens betrekking hebben daarvan in kennis worden gesteld, de dienst waarbij het recht op toegang kan worden uitgeoefend en de maatregelen genomen om de uitoefening van dat recht te vergemakkelijken;

10° de termijn waarna, in voorkomend geval, de gegevens niet meer mogen bewaard, gebruikt of verspreid worden.

11° een algemene beschrijving om op voorhand te kunnen beoordelen of de veiligheidsmaatregelen die in toepassing van artikel 16 van deze wet genomen zijn, afdoende zijn;

12° de redenen waarop de verantwoordelijke voor de verwerking in voorkomend geval de toepassing van artikel 3, § 3, van deze wet steunt.

§ 4. In het kader van haar controle- en onderzoeksbevoegdheid bedoeld in artikel 31 en 32 is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gemachtigd tot het opeisen van andere gegevens, met name de oorsprong van de persoonsgegevens, de gekozen automatiseringstechniek en de voorziene beveiligingsmaatregelen.

§ 5. Voor elk doeleinde of geheel van samenhangende doeleinden waarvoor tot een of meer volledig of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen wordt overgegaan, is een aangifte vereist.

De Commissie stelt de aard en de structuur van de aangifte vast. ;

§ 6. Wanneer de verwerkte gegevens, zelfs occasioneel, bestemd zijn om naar het buitenland te worden doorgezonden, moet, ongeacht de gebruikte gegevensdrager, daarenboven in de aangifte worden vermeld :

1° de categorieën van gegevens die worden doorgezonden;

2° voor elke categorie van gegevens, het land van bestemming.

§ 7. Ingeval aan een geautomatiseerde verwerking een einde wordt gemaakt of enige informatie vermeld in de § 3 wijzigt, moet daarvan eveneens aangifte worden gedaan.

§ 8. De Koning kan na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaalde categorieën vrijstellen van de in dit artikel bedoelde aangifte wanneer, rekening houdend met de verwerkte gegevens, er kennelijk geen gevaar is voor inbreuken op de rechten en vrijheden van de betrokkenen, en de doeleinden van de verwerking, de categorieën van verwerkte gegevens, de categorieën betrokkenen, de categorieën ontvangers en de periode gedurende welke de gegevens worden bewaard, gepreciseerd worden.

Indien voor geautomatiseerde verwerkingen in toepassing van het vorige lid een vrijstelling van de aanmeldingsplicht wordt verleend, moeten de inlichtingen vermeld in de §§ 3 en 6 door de verantwoordelijke voor de verwerking meegedeeld worden aan iedereen die daarom verzoekt.

§ 9 De verantwoordelijke voor de verwerking is gehouden op het ogenblik van de verrichting van de aangifte, een bijdrage te storten aan de rekenplichtige aangesteld bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overeenkomstig de bepalingen van de wetten op de Rijkscomptabiliteit. De Koning stelt het bedrag van deze bijdrage, die tienduizend frank niet mag overschrijden, vast. Hij regelt tevens de modaliteiten voor de betaling ervan.

 

Art. 17bis. De Koning stelt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de categorieën van verwerkingen vast die specifieke risico’s inhouden voor de persoonlijke rechten en vrijheden van de betrokkenen en stelt voor deze verwerkingen, eveneens op voorstel van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bijzondere voorwaarden vast om de rechten en de vrijheden van de betrokkenen te waarborgen.

In het bijzonder kan Hij bepalen dat de verantwoordelijke voor de verwerking, alleen of samen met andere verantwoordelijken, een aangestelde voor de gegevensbescherming aanwijst die op onafhankelijke wijze zorgt voor de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsmaatregelen.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het statuut van de aangestelde voor de gegevensbescherming.

 

Art. 18 Bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt een register gehouden van de geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens.

Bij de inschrijving in dat register moeten de gegevens bedoeld in artikel 17, §§3 en 6 worden opgenomen.

Dat register staat ter inzage van eenieder op de wijze door de Koning bepaald.

 

Art. 19 Wanneer de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer meent dat een niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen een mogelijke schending van de persoonlijke levenssfeer inhoudt, kan zij hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een betrokkene de verantwoordelijke voor de verwerking opleggen haar mededeling te verstrekken van het geheel of een gedeelte van de inlichtingen opgesomd in artikel 17.

 

Art. 20 Indien door of krachtens een wet wordt voorzien in een specifiek systeem van voorafgaande machtigingen of aangiften van verwerkingen van gegevens, dat voorziet in het ter beschikking stellen van een bijzonder toezichtscomité van de inlichtingen vermeld in artikel 17, §§ 3 en 6 en in het inschrijven in een openbaar register van de vermeldingen bedoeld in artikel 17, §§ 3 en 6, wordt geacht aan de verplichtingen van de artikelen 17, 18 en 19 te zijn voldaan wanneer het geheel van deze informatie op permanente wijze ter beschikking wordt gehouden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 17, § 9 is van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk VI

Doorgifte van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Gemeenschap

Art. 21. § 1. Persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen na doorgifte ervan naar een land buiten de Europese Gemeenschap, mogen slechts worden doorgegeven indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt en de andere bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden nageleefd.

De vraag of het beschermingsniveau passend is, wordt beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden die op de doorgifte van gegevens of op een categorie gegevensdoorgiften van invloed zijn; in het bijzonder wordt rekening gehouden met de aard van de gegevens, met het doeleinde en met de duur van de voorgenomen verwerking of verwerkingen, het land van herkomst en het land van eindbestemming, de algemene en sectoriële rechtsregels die in het betrokken land gelden, alsmede de beroepscodes en de veiligheidsmaatregelen die in die landen worden nageleefd.

§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en conform artikel 25 van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met

Art. 22. § 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 21 mag een doorgifte of categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Gemeenschap dat geen waarborgen biedt voor een adequaat beschermingsniveau, plaatsvinden in één van de volgende gevallen :

1° de betrokkene heeft daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming gegeven;

2° de doorgifte is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de verantwoordelijke voor de verwerking of voor de uitvoering van op verzoek van de betrokkene genomen precontractuele maatregelen;

3° de doorgifte is noodzakelijk voor de sluiting of de uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de verantwoordelijke voor de verwerking en een derde gesloten of te sluiten overeenkomst;

4° de doorgifte is noodzakelijk of wettelijk verplicht vanwege een zwaarwegend algemeen belang of voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte;

5° de doorgifte is noodzakelijk ter vrijwaring van het vitaal belang van de betrokkene;

6° de doorgifte geschiedt vanuit een openbaar register dat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld is om het publiek voor te lichten en dat door eenieder dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan beroepen, kan worden geraadpleegd, voor zover in het betrokken geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor raadpleging.

Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, machtiging verlenen voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Gemeenschap dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt, indien de verantwoordelijke voor de verwerking voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de fundamentele rechten en vrijheden van personen, alsmede ten aanzien van de uitoefening van de daaraan verbonden

rechten; deze waarborgen kunnen met name voortvloeien uit passende contractuele bepalingen.

 

Hoofdstuk VII

Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Art. 23. Bij het Ministerie van Justitie wordt een onafhankelijke Commissie ingesteld, "Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" genaamd, die samengesteld is uit leden, onder wie de Voorzitter, die om beurten door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en door de Senaat worden aangewezen.

De zetel van de Commissie is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

 

Art. 24. § 1. De Commissie bestaat uit acht vaste leden, onder wie een magistraat die het voorzitterschap waarneemt, en acht plaatsvervangende leden, onder wie een magistraat.

§ 2. De Commissie bestaat uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden.

§ 3. De leden van de Commissie worden om beurten door de Kamer van volksvertegenwoordigers en door de Senaat aangewezen.

§ 4. De leden van de Commissie worden gekozen voor een hernieuwbare termijn van 6 jaar op door de Ministerraad voorgedragen lijsten die voor ieder te bekleden mandaat twee kandidaten bevatten. Zij kunnen door de Kamer die hen heeft aangewezen, van hun opdracht worden ontheven wegens tekortkomingen in hun taken of wegens inbreuk op de waardigheid van hun ambt.

De leden moeten alle waarborgen bieden met het oog op een onafhankelijke uitoefening van hun opdracht alsmede volledig bevoegd zijn op het stuk van de informaticasystemen.

De Commissie is op zodanige wijze samengesteld dat in haar midden een evenwicht bestaat tussen de verschillende sociaal-economische groepen.

Benevens de voorzitter, bevat de Commissie onder haar vaste leden en onder haar plaatsvervangende leden, ten minste een jurist, een informaticus, een persoon die beroepservaring kan voorleggen in het beheer van persoonsgegevens afhangende van de private sector en een persoon die beroepservaring kan voorleggen in het beheer van persoonsgegevens afhangende van de openbare sector.

§ 5. Om tot vast dan wel plaatsvervangend lid van de Commissie te worden benoemd en het te blijven, moeten de kandidaten aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° Belg zijn;

2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;

3° geen lid zijn van het Europees parlement of van de Wetgevende Kamers, noch van een gemeenschaps-of gewestraad.

§ 6. Binnen de perken van hun bevoegdheden krijgen de leden van de Commissie van niemand onderrichtingen. Zij kunnen niet van hun mandaat worden ontheven voor meningen die zij uiten of daden die zij stellen bij het vervullen van hun functie.

§ 7. Het is de leden van de Commissie verboden aanwezig te zijn bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben. .

 

Art. 25. Wanneer een vast lid verhinderd is of afwezig alsmede in het geval dat zijn mandaat openvalt, wordt het lid vervangen door zijn plaatsvervanger.

Het vast of het plaatsvervangend lid waarvan het mandaat een einde neemt voor het verstrijken van de termijn van zes jaar wordt volgens de in artikel 24 bedoelde procedures vervangen door een vast of een plaatsvervangend lid dat voor de rest van de termijn wordt gekozen.

 

Art. 26. De Voorzitter van de Commissie oefent zijn functie voltijds uit.

Tijdens de duur van zijn mandaat mag hij geen andere beroepsbezigheid uitoefenen. De Kamer die hem heeft benoemd kan afwijkingen op die onverenigbaarheid toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen.

In zijn vervanging als magistraat wordt voorzien door een benoeming in overtal. Wanneer het een korpschef betreft wordt in zijn vervanging voorzien door de benoeming in overtal van een magistraat tot de onmiddellijk lagere rang.

Hij geniet een wedde die gelijkstaat met die van eerste-advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, alsmede de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.

Hij neemt zijn plaats op de ranglijst weer in van het ogenblik af dat hij zijn mandaat neerlegt.

 

Art. 27. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de Voorzitter en de vaste of de plaatsvervangende leden, naar gelang van het geval, in handen van de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Voorzitter van de Senaat de volgende eed af :

"Ik zweer de plichten van mijn opdracht gewetensvol en onpartijdig te vervullen."

 

Art. 28. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet binnen een maand na haar instelling, haar reglement van orde opstellen. Het wordt medegedeeld aan de Wetgevende Kamers.

De Commissie beraadslaagt slechts dan op geldige wijze, wanneer ten minste de meerderheid van haar leden aanwezig is. Zij beslist bij volstrekte meerderheid. Bij staking van de stemmen is de stem van de Voorzitter of bij diens afwezigheid, van zijn plaatsvervanger doorslaggevend.

 

Art. 29. § 1. De Commissie dient van advies, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van de Regering, van de Wetgevende Kamers, van de Gemeenschaps- of Gewestexecutieven, van de Gemeenschaps- of Gewestraden, van het Verenigd College of van de Verenigde Vergadering bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, of van een toezichtscomité, omtrent iedere aangelegenheid die betrekking heeft op de toepassing van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

§ 2. Elk verzoek wordt bij de Commissie ingediend bij ter post aangetekende brief.

Tenzij de wet anders bepaalt, brengt de Commissie advies uit binnen zestig dagen nadat alle daartoe noodzakelijke gegevens aan de Commissie zijn medegedeeld.

§ 3. In de gevallen waar het advies van de Commissie door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie vereist is, mag aan deze vereiste voorbijgegaan worden wanneer het advies niet werd verleend binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2.

In de gevallen waar het advies van de Commissie vereist is krachtens een bepaling van deze wet, met uitzondering van artikel 11, wordt de termijn bedoeld in 12 in speciaal gemotiveerde dringende gevallen verminderd tot ten minste vijftien dagen.

§ 4. De adviezen van de Commissie zijn met redenen omkleed.

§ 5. De Commissie deelt haar advies aan de betrokken overheid mede.

Een afschrift van het advies wordt medegedeeld aan de minister van Justitie.

In de gevallen waar het advies van de Commissie vereist is, wordt het samen met de reglementsbepaling waarop het betrekking heeft, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 

Art. 30. § 1. De Commissie kan aanbevelingen richten, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van de Regering, van de Wetgevende Kamers, van de Gemeenschaps- of Gewestexecutieven, van de Gemeenschaps- of Gewestraden, van het Verenigd College of van de Verenigde Vergadering bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, of van een toezichtscomité, omtrent iedere aangelegenheid die betrekking heeft op de toepassing van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

§ 2. Alvorens een aanbeveling te richten tot een bepaalde verantwoordelijke voor de verwerking, geeft de Commissie de houder van het bestand de gelegenheid zijn standpunt te doen kennen.

§ 3. De aanbevelingen van de Commissie zijn met redenen omkleed. Een afschrift van elke aanbeveling wordt medegedeeld aan de Minister van Justitie.

 

Art. 31 § 1. Onverminderd enige vordering voor de rechtbanken en tenzij de wet anders bepaalt, onderzoekt de Commissie de getekende en gedateerde klachten die haar worden toegestuurd. Deze klachten kunnen betrekking hebben op haar opdracht in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens of op andere opdrachten die haar door de wet zijn toevertrouwd.

§ 2. De rechtspleging wordt geregeld in het reglement van orde. Dit voorziet in de uitoefening van een recht van verdediging.

§ 3. De Commissie onderzoekt of de klacht ontvankelijk is. Ten aanzien van ontvankelijke klachten vervult de Commissie elke bemiddelingstaak die zij nuttig oordeelt. Zo een minnelijke schikking tussen de partijen wordt bereikt, op basis van het respect voor de persoonlijke levenssfeer, stelt zij een proces-verbaal op, waarin de bereikte oplossing wordt uiteengezet. Zo geen minnelijke schikking wordt bereikt, geeft de Commissie een advies over de gegrondheid van de klacht. Zij kan het advies vergezeld doen gaan van aanbevelingen aan de verantwoordelijke voor de verwerking.

§ 4. De beslissingen, adviezen en aanbevelingen van de Commissie zijn met redenen omkleed.

§ 5. De Commissie deelt haar beslissing, advies of aanbeveling mede aan de klager, de verantwoordelijke voor de verwerking en alle andere in de rechtspleging betrokken partijen.

Een afschrift van de beslissing, het advies of de aanbevelingen wordt medegedeeld aan de Minister van Justitie.

 

Art. 32 §1. De Commissie mag voor het vervullen van al haar taken een beroep doen op de medewerking van deskundigen. Zij mag een of meer van haar leden, eventueel bijgestaan door deskundigen, belasten met de uitvoering van een onderzoek ter plaatse.

De leden van de Commissie hebben in dit geval de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Ze kunnen onder meer mededeling eisen van elk document dat hen bij hun onderzoek van nut kan zijn.

Ze hebben tevens toegang tot alle plaatsen waarvan ze redelijkerwijze kunnen vermoeden dat er werkzaamheden worden verricht die in verband staan met de toepassing van deze wet.

§ 2 Tenzij de wet anders bepaalt, doet de Commissie bij de procureur des Konings aangifte van de misdrijven waarvan zij kennis heeft.

De Commissie dient ieder jaar bij de Wetgevende Kamers een verslag over haar werkzaamheden in.

Dit verslag, dat openbaar is, bevat naast de algemene informatie over de toepassing van deze wet en over de activiteiten van de Commissie, specifieke informatie over de toepassing van de artikelen 3, §§ 3 en 6, 13, 17 en 18.

§ 3. Onverminderd de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken met het oog op de toepassing van de algemene beginselen inzake bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de voorzitter van de Commissie ieder geschil aangaande de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen aan de rechtbank van eerste aanleg voorleggen.

 

Art. 32bis. § 1. Met het oog op de toepassing van internationale verdragen, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aanwijzen om, krachtens deze verdragen, opdrachten uit te voeren die identiek zijn aan die welke deze wet aan de Commissie toekent.

§ 2. Met het oog op de toepassing van internationale verdragen, is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gemachtigd om bepaalde van haar leden of personeelsleden aan te wijzen in de hoedanigheid van vertegenwoordigers bij internationale autoriteiten, belast met opdrachten die identiek zijn aan die welke deze wet aan de Commissie toekent.

De Koning bepaalt de nadere regels van de vertegenwoordiging na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

 

Art. 33. Onverminderd artikel 32, § 2, zijn de leden en de personeelsleden van de Commissie en de deskundigen om wier medewerking is verzocht, verplicht het vertrouwelijk karakter te bewaren van de feiten, de handelingen of de inlichtingen waarvan zij uit hoofde van hun functie kennis hebben gehad.

 

Art. 34. De werkingskosten van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van haar secretariaat komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie.

De bijdragen bedoeld in de artikelen 17, § 9 en 20, tweede lid, worden door de rekenplichtige van de Commissie gestort op een speciaal daartoe geopend artikel van de Rijksmiddelenbegroting.

 

Art. 35. De Commissie beschikt over een secretariaat waarvan het personeel verbonden is aan het Ministerie van Justitie.

 

Art. 36. De Voorzitter heeft recht op een vergoeding gelijk aan de weddebijslag toegekend aan een onderzoeksrechter met negen jaar ambtsuitoefening in een rechtbank waarvan het rechtsgebied ten minste 500 000 inwoners telt.

De plaatsvervangende Voorzitter en de vaste of plaatsvervangende leden hebben recht op presentiegelden gelijk aan een dertigste van de vergoeding toegekend aan de Voorzitter.

Zij zijn gerechtigd op de vergoedingen voor reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet tot het bestuur behoren of voor wie de rang waartoe hun graad behoort niet is bepaald, worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang 13;

De Voorzitter wordt gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17.

De deskundigen wier medewerking door de Commissie wordt gevorderd of die de leden bijstaan welke belast zijn met een onderzoek ter plaatse, kunnen worden vergoed op de wijze bepaald door de Minister van Justitie in overleg met de ministers tot wier bevoegdheid het Openbaar Ambt en de Begroting behoren.

De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de bezoldiging van het Rijkspersoneel in actieve dienst.

 

Hoofdstuk VIII

Strafbepalingen

Art. 37. Met een geldboete van tweehonderd tot tienduizend frank, wordt gestraft elk lid of elk personeelslid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of elke deskundige die de in artikel 33 bepaalde verplichting tot vertrouwelijkheid heeft geschonden.

 

Art. 38. Met geldboete van honderd frank tot twintigduizend frank wordt gestraft de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of lasthebber die een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 15 of 16, § 1 niet nakomt.

 

Art. 39. Met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank wordt gestraft :

1° de verantwoordelijke, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt met overtreding van de voorwaarden die in artikel 4,§§ 1, worden opgelegd;

2° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt buiten de door artikel 5 toegelaten gevallen;

3° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt in overtreding van de artikelen 6, 7 of 8;

4° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die de verplichtingen bepaald in artikel 9 niet heeft nageleefd;

5° de verantwoordelijke voor de verwerking , zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die geen mededeling doet van de inlichtingen bedoeld in artikel 10, § 1, binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek, of die wetens onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;

6° hij die om een persoon te dwingen hem inlichtingen mede te delen verkregen door de uitoefening van het recht omschreven in artikel 10, § 1, of om zijn instemming te geven met de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, jegens hem gebruik maakt van feitelijkheden, geweld of bedreiging;

7° de verantwoordelijke voor de verwerking , zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens start, het beheer erover heeft of blijft hebben dan wel daaraan een einde maakt, zonder dat aan de vereisten van artikel 17 is voldaan;

8° de verantwoordelijke voor de verwerking , zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die, onvolledige of onjuiste inlichtingen verstrekt in de aangiften voorgeschreven bij artikel 17;

(opgeheven)

10° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die, in overtreding van artikel 19, weigert om aan de Commissie de informatie mee te delen met betrekking tot een niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen;

11° (opgeheven)

12° hij die persoonsgegevens doorgeeft, doet of laat doorgeven naar een land buiten de Europese Gemeenschap dat is opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 21, § 2, met miskenning van de vereisten van artikel 22.

 

Art. 40. Bij veroordeling wegens een misdrijf omschreven in de artikelen 38 of 39, kan de rechtbank bevelen dat het vonnis in zijn geheel of bij uittreksel wordt opgenomen in een of meer dagbladen op de wijze die zij bepaalt, een en ander op kosten van de veroordeelde.

 

Art. 41. § 1. Bij de veroordeling wegens een misdrijf omschreven in artikel 39 kan de rechter de verbeurdverklaring uitspreken van de dragers van persoonsgegevens waarop het misdrijf betrekking heeft, zoals manuele bestanden, magneetschijven of magneetbanden, met uitzondering van de computers of enige andere apparatuur, of de uitwissing van die gegevens gelasten.

De verbeurdverklaring of de uitwissing kunnen worden gelast, ook wanneer de dragers van persoonsgegevens niet aan de veroordeelde toebehoren.

Artikel 8,§ 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie is niet van toepassing op de verbeurdverklaring, noch op de uitwissing gelast overeenkomstig het eerste en tweede lid.

De verbeurdverklaarde voorwerpen moeten worden vernietigd wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Onverminderd de ontzeggingen van een bevoegdheid gesteld in bijzondere bepalingen, kan de rechtbank, bij veroordeling wegens een misdrijf genoemd in artikel 39, het verbod uitspreken om gedurende ten hoogste twee jaar rechtstreeks of door een tussenpersoon, het beheer te hebben over enige verwerking van persoonsgegevens.

§ 3. Elke overtreding van het verbod bepaald in §2 of elke herhaling met betrekking tot de in de artikelen 37, 38 en 39 voorziene misdrijven, worden gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.

 

Art. 42 De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger in België is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn aangestelde of lasthebber is veroordeeld.

 

Art. 43. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, worden toegepast op de misdrijven, omschreven bij deze wet of bij de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

Hoofdstuk IX

Slotbepalingen

Art. 44 De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, nadere regels stellen voor de toepassing van de bepalingen van deze wet teneinde rekening te houden met de specificiteit van de onderscheiden sectoren.

Beroepsverenigingen en andere organisaties die categorieën van verantwoordelijken voor de verwerking vertegenwoordigen, die ontwerpen van gedragscodes hebben opgesteld of voornemens zijn bestaande gedragscodes te wijzigen of te verlengen, kunnen deze voorleggen aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Commissie vergewist er zich in het bijzonder van dat de haar voorgelegde ontwerpen in overeenstemming zijn met deze wet en met haar uitvoeringsbesluiten, en onderzoekt, voor zover dat mogelijk is, de standpunten van de betrokkenen of van hun vertegenwoordigers.

 

Art. 45. De Koning kan de overheden aanwijzen welke in oorlogstijd of in de tijd die overeenkomstig artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen daarmee gelijkstaat, alsmede tijdens de bezetting van het Belgisch grondgebied door de vijand, het bevel geven om de verwerkte gegevens te vernietigen of die zelf belast zijn met de vernietiging van die gegevens.

De Koning kan tevens de bedragen vaststellen van de vergoeding voor de vernietigingen bepaald in het vorige lid.

Met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank wordt gestraft, hij die de besluiten ter uitvoering van het eerste lid, overtreedt of ten onrechte gebruikt, dan wel misbruik maakt van het daarin bepaalde recht tot vernietiging.

 

Art. 46-51 (...)

Wijzigingsbepalingen

 

Art. 52. (...)

Inwerkingtreding

 


BESCHERMING VAN HET PRIVÉ-LEVEN

Universele verklaring van de Rechten van de Mens

Art. 12. Niemand zal het voorwerp zijn van willekeurige inmengingen in zijn privaat leven, zijn familie, zijn woning, of zijn briefwisseling, noch van een aanslag op zijn eer en zijn faam. Een ieder heeft recht op de bescherming van de wet tegen dergelijke inmengingen of aanslagen.

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)

Art. 8: 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé‚ leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO)

Art. 17. 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.

2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.

Grondwet

Art. 22. Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998, B.S., 3 februari 1999)

 Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt onder "persoonsgegevens" iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna "betrokkene" genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.

 § 2. Onder "verwerking" wordt verstaan elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens.

§ 3. Onder "bestand" wordt verstaan elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze.

§ 4. Onder "verantwoordelijke voor de verwerking" wordt de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt.

§ 5. Onder "verwerker" wordt de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur verstaan die ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken.

§ 8. Onder "toestemming van de betrokkene", wordt elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting verstaan, waarmee de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger aanvaardt dat persoonsgegevens betreffende de betrokkene worden verwerkt.

Art. 2. Iedere natuurlijke persoon heeft in verband met de verwerking van persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, recht op bescherming van zijn fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

Art. 3. § 1. Deze wet is van toepassing op elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op elke niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

HOOFDSTUK II –ALGEMENE VOORWAARDEN VOOR DE RECHTMATIGHEID VAN DE VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS.

Art. 4. § 1. Persoonsgegevens dienen

1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt;
 2° voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden te worden verkregen en niet verder te worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de betrokkene en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, onverenigbaar is met die doeleinden. Onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wordt verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden niet als onverenigbaar beschouwd;
3° toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt;
4° nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te verbeteren;
 5° in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer te worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt, noodzakelijk is. De Koning voorziet, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in passende waarborgen voor persoonsgegevens die, langer dan hiervòòr bepaald, voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard.

§ 2. Op de verantwoordelijke voor de verwerking rust de plicht om voor de naleving van het bepaalde in § 1 zorg te dragen.

 Art. 5. Persoonsgegevens mogen slechts verwerkt worden in één van de volgende gevallen::

a) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of voor de uitvoering van maatregelen die aan het sluiten van die overeenkomst voorafgaan en die op verzoek van de betrokkene zijn genomen;
c) wanneer de verwerking noodzakelijk is om een verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie;
d) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt;
f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de gevallen aanduiden waarin de onder f) bedoelde voorwaarde niet geacht wordt te zijn vervuld.

HOOFDSTUK III - RECHTEN VAN DE BETROKKENE

Art. 9. § 1. Indien persoonsgegevens betreffende de betrokkene bij hemzelf worden verkregen, moet de verantwoordelijke voor de verwerking of diens vertegenwoordiger uiterlijk op het moment dat de gegevens worden verkregen aan de betrokkene ten minste de hierna volgende informatie verstrekken, behalve indien de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is:

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger;
b) de doeleinden van de verwerking;
c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de gegevens verkregen worden met het oog op direct marketing;
d) andere bijkomende informatie, met name:
de ontvangers of de categorieën ontvangers van de gegevens,
- het al dan niet verplicht karakter van het antwoord en de eventuele gevolgen van niet-beantwoording,
- het bestaan van een recht op toegang en op verbetering van de persoonsgegevens die op hem betrekking hebben behalve indien die verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de persoonsgegevens verkregen worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen;
e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 2. Indien de persoonsgegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen, moet de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger, op het moment van de registratie van de gegevens of wanneer mededeling van de gegevens aan een derde wordt overwogen, uiterlijk op het moment van de eerste mededeling van de gegevens, tenminste de volgende informatie verstrekken, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is:

a) de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger;
b) de doeleinden van de verwerking;
c) het bestaan van een recht om zich op verzoek en kosteloos tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten, indien de verwerking verricht wordt met het oog op direct marketing; in dit geval dient de betrokkene in kennis te worden gesteld vooraleer de persoonsgegevens voor de eerste keer aan een derde worden verstrekt of voor rekening van derden worden gebruikt voor direct marketing;
d) andere bijkomende informatie, zoals:
de betrokken gegevenscategorieën;
- de ontvangers of de categorieën ontvangers;
- het bestaan van een recht op toegang tot zijn eigen persoonsgegevens en op verbetering van deze gegevens;
behalve indien die verdere informatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de gegevens verwerkt worden, niet nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen;

e) andere informatie afhankelijk van de specifieke aard van de verwerking, die wordt opgelegd door de Koning na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De verantwoordelijke voor de verwerking wordt van de in deze paragraaf bedoelde kennisgeving vrijgesteld:
a) wanneer, met name voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek, deze kennisgeving aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost;
b) wanneer de registratie of de verstrekking van de persoonsgegevens verricht wordt met het oog op de toepassing van een bepaling voorgeschreven door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de voorwaarden voor de toepassing van het vorige lid.

Indien de eerste mededeling van de gegevens geschiedde vòòr de inwerkingtreding van deze bepaling, moet de mededeling van de informatie, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk geschieden binnen een termijn van 3 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze bepaling. De informatie moet evenwel niet worden meegedeeld indien de verantwoordelijke voor de verwerking was vrijgesteld van de verplichting om de betrokkene in kennis te stellen van de registratie van de gegevens krachtens de wettelijke en reglementaire bepalingen van toepassing op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze bepaling.]

Art. 10 § 1. De betrokkene die zijn identiteit bewijst, heeft het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking te verkrijgen:

a) kennis van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, van de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en van de categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;
b) verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens;
c) mededeling van de logica die aan een geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens ten grondslag ligt in geval van geautomatiseerde besluitvorming in de zin van artikel 12 bis;
d) kennis van de mogelijkheid om de in de artikelen 12 en 14 bedoelde beroepen in te stellen en eventueel inzage te nemen van het in artikel 18 bedoelde openbaar register.
Daartoe richt de betrokkene een gedagtekend en ondertekend verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan iedere andere persoon die de Koning aanwijst.

De inlichtingen worden onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld.

De Koning kan nadere regelen voor de uitoefening van het in het eerste lid bedoelde recht bepalen.

§ 2. Elke persoon heeft het recht om, hetzij op rechtstreekse wijze, hetzij met behulp van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, kennis te krijgen van de persoonsgegevens die betreffende zijn gezondheid worden verwerkt.

HOOFDSTUK VIII – STRAFBEPALINGEN

Art. 37. Met een geldboete van tweehonderd tot tienduizend frank, wordt gestraft elk lid of elk personeelslid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of elke deskundige die de in artikel 33 bepaalde verplichting tot vertrouwelijkheid heeft geschonden.

Art. 38. Met geldboete van honderd frank tot twintigduizend frank wordt gestraft de [verantwoordelijke voor de verwerking], zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of lasthebber die een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 15 of 16, § 1 niet nakomt.

Art. 39. Met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank wordt gestraft:

1° de verantwoordelijke, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt met overtreding van de voorwaarden die in artikel 4, § 1 worden opgelegd;
2° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt buiten de door artikel 5 toegelaten gevallen;
3° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt in overtreging van de artikelen 6, 7 of 8;
4° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die de verplichtingen voorzien in artikel 9 niet heeft nageleefd;]
5° de [verantwoordelijke voor de verwerking], zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die geen mededeling doet van de inlichtingen bedoeld in artikel 10, § 1, binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek, of die wetens onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
6° hij die om een persoon te dwingen hem inlichtingen mede te delen verkregen door de uitoefening van het recht omschreven in artikel 10, § 1, of om zijn instemming te geven met de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, jegens hem gebruik maakt van feitelijkheden, geweld of bedreiging;
7° de [verantwoordelijke voor de verwerking], zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens start, het beheer erover heeft of blijft hebben dan wel daaraan een einde maakt, zonder dat aan de vereisten van artikel 17 is voldaan;
8° de [verantwoordelijke voor de verwerking], zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die, onvolledige of onjuiste inlichtingen verstrekt in de aangiften voorgeschreven bij artikel 17;
9° […]
[10° de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België, zijn aangestelde of gemachtigde die, in overtreding van artikel 19, weigert om aan de Commissie de informatie mee te delen met betrekking tot een niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen;]
11° [ ..]
[12° hij die persoonsgegevens doorgeeft, doet of laat doorgeven naar een land buiten de Europese Gemeenschap dat is opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 21, § 2, met miskenning van de vereisten van artikel 22;]
13° hij die de Commissie, haar leden of de door haar gevorderde deskundigen verhindert de in artikel 32 bedoelde verificaties te doen.

Art. 42. De [verantwoordelijke voor de verwerking] of zijn vertegenwoordiger in België is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn aangestelde of lasthebber is veroordeeld.


2. BRIEFGEHEIM

Grondwet

Art. 29. Het briefgeheim is onschendbaar. De wet bepaalt welke agenten verantwoordelijk zijn voor de schending van het geheim der aan de post toevertrouwde brieven.

Strafwetboek

HOOFDSTUK VI. - ENIGE ANDERE WANBEDRIJVEN TEGEN PERSONEN

Art. 460. Hij die schuldig bevonden wordt aan het wegmaken van een aan de post toevertrouwde brief of aan het openen van een zodanige brief om het geheim ervan te schenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 frank tot 200 frank of met een van die straffen alleen, onverminderd zwaardere straffen, indien de schuldige een ambtenaar of een agent van de Regering of van de posterijen is.


TELECOMMUNICATIEGEHEIM

Belgacomwet (Wet van 21 maart 1991)

Art. 68: Telecommunicatie: elke overbrenging, uitzending of ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken of gegevens van alle aard, per draad, radio-elektricititeit, optische seingeving of een ander elektromagnetisch systeem

HOOFDSTUK 10BIS - GEHEIMHOUDING VAN GESPREKKEN EN BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER

 Art. 109terD. Behoudens toestemming van alle andere personen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij de hierna bedoelde informatie, identificatie of gegevens, is het iedereen verboden zelf of door toedoen van een derde:

1.met bedrieglijk opzet kennis te nemen van het bestaan […] van met telecommunicatie overgebrachte tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken of gegevens van alle aard, die herkomstig zijn van en bestemd zijn voor andere personen; 2.met bedrieglijk opzet de in 1° bedoelde informatie met gelijk welk technisch procédé […]te wijzigen of weg te laten of de andere personen te identificeren;
3.met opzet kennis te nemen van gegevens inzake telecommunicatie, die betrekking hebben op een andere persoon;
4.de in 1°, 2° en 3° bedoelde informatie, identificatie en gegevens die met of zonder opzet werden bekomen, kenbaar te maken, er enig gebruik van te maken, deze te wijzigen of ze te vernietigen.

Art. 109terE.

§1. De bepalingen van artikel 109terD van deze wet en van de artikelen 259 bis en 314 bis van het Strafwetboek zijn niet van toepassing:

1.wanneer de wet het stellen van de bedoelde handelingen toestaat of oplegt;
2.wanneer de bedoelde handelingen worden gesteld met als enig doel de goede werking van het netwerk na te gaan en de goede uitvoering van een telecommunicatiedienst te garanderen;
3.wanneer de handelingen worden gesteld om de interventie van hulp- en nooddiensten mogelijk te maken die antwoorden op aan hen gerichte verzoeken om hulp.

De informatie, de identificatie en de gegevens die verkregen zijn op grond van lid 1, 2°, mogen uitsluitend om dezelfde redenen worden onthuld.

§ 2. De Koning bepaalt, na het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te hebben ingewonnen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de technische middelen waarmee de operatoren van telecommunicatienetwerken en de verstrekkers van telecommunicatiediensten, in voorkomend geval gezamenlijk, moeten instaan om het opsporen, lokaliseren, afluisteren, kennisnemen en opnemen van privételecommunicatie onder de voorwaarden bepaald door de artikelen en 90ter tot 90decies van het Wetboek van Strafvordering, mogelijk te maken.

Hij bepaalt tevens de grootte van de bijdrage in de investerings-, exploitatie-, en onderhoudskosten van deze middelen die ten laste is van de operatoren van telecommunicatienetwerken en van de verstrekkers van telecommunicatiediensten.

 Art. 109terF. Het gebruik van versleuteling is vrij. De terbeschikkingstelling aan het publiek van versleutelingsdiensten aangewezen door de Koning is onderworpen aan een voorafgaande aangifte aan het Instituut. Deze aangifte moet per aangetekende brief gebeuren uiterlijk vier weken voor de aanvang van de activiteiten.

 Art. 114. § 2. Met geldboete van 50 tot 50 000 frank wordt gestraft de persoon die de artikelen 79bis, 86ter, 86quater, 87, 88, 89, 92, 92bis, 92ter, 94, § 1, 95, 96, 97, §1, 98, §1, 99, §§2 en 3, 104, 105ter, 105quater, 105quinquies, 105sexies, 105septies, 105octies, §§1, 3, 4 en 5, 105nonies, 106, 107, §§ 1 en 2, 109, §1, 109bis, 109ter, §§ 2 en 3, 109terB, 109terC, 109terD, 109terF en 113, overtreedt.

§7. Met geldboete van 100 tot 5.000 frank en met een gevangenisstraf van drie maanden tot één jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft de persoon, die zelf of door toedoen van een ander persoon, behoudens toepassing van artikel 109terE, de bepaling van artikel 109terC schendt.

De straffen worden verdubbeld wanneer de persoon die op grond van de bepalingen van het eerste lid is veroordeeld, één van deze misdrijven opnieuw pleegt binnen vijf jaar na de uitspraak van het vonnis of van het arrest, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

§8. Met geldboete van 500 tot 500.000 frank en met een gevangenisstraf van één tot vier jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft:

1.de persoon, die op bedrieglijke wijze telecommunicatie door middel van een telecommunicatienet tot stand brengt, teneinde aan zichzelf of aan een ander persoon wederrechtelijk een voordeel te verschaffen;
2.de persoon, die een telecommunicatienet of -dienst of andere middelen van telecommunicatie gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen.

§9. Het opstellen van welk toestel dan ook dat bestemd is om een in de §§7 en 8 bedoelde inbreuken te begaan, evenals de poging om deze te begaan hebben de toepassing van de in dezelfde paragrafen voorziene straffen tot gevolg.

Strafwetboek

HOOFDSTUK VBIS. - AFLUISTEREN, KENNISNEMEN EN OPNEMEN VAN PRIVÉ-COMMUNICATIE EN -TELECOMMUNICATIE.

 Art. 259bis.

§1. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft:

1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé-communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie;
2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen;
3° ofwel, wetens, de inhoud van privé-communicatie of -telecommunicatie die onwettig afgeluisterd of opgenomen is of waarvan onwettig kennis genomen is, onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of wetens enig gebruik maakt van een op die manier verkregen inlichting.

§ 2. Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot dertigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft ieder openbaar officier of ambtenaar, drager of agent van de openbare macht die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn bediening,buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van privé-communicatie of -telecommunicatie.

§ 3. Poging tot het plegen van een der misdrijven bedoeld in § 1 of § 2 wordt gestraft zoals het misdrijf zelf.

§ 4. De straffen gesteld in de §§ 1, 2 en 3 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak van een vonnis of een arrest houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten beoogd in artikel 314bis, §§ 1, 2 of 3, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 5. De bepalingen van §1, 1° en 2°, zijn niet van toepassing op het onderscheppen, het afluisteren, de kennisname of de opname, door de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht, om redenen van militaire aard, van militaire radioverbindingen uitgezonden in het buitenland.

HOOFDSTUK VIIIBIS. - MISDRIJVEN BETREFFENDE HET GEHEIM VAN PRIVÉ-COMMUNICATIE EN -TELECOMMUNICATIE.

 Art. 314bis

§1. Met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tienduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die:

1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé - communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie;
2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen.

§ 2. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij, die wetens, de inhoud van privé - communicatie of -telecommunicatie die onwettig afgeluisterd of opgenomen is of waarvan onwettig kennis genomen is, onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of wetens enig gebruik maakt van een op die manier verkregen inlichting. Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van privé-communicatie of -telecommunicatie.

§ 3. Poging tot het plegen van een der misdrijven bedoeld in § 1 of § 2 wordt gestraft zoals het misdrijf zelf.

§ 4. De straffen gesteld in de §§ 1, 2 en 3 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak van een vonnis of een arrest houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten beoogd in artikel 259bis, §§ 1, 2 of 3, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

HOOFDSTUK VI. - ENIGE ANDERE WANBEDRIJVEN TEGEN PERSONEN.

 Art. 458.

Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.

Wetboek van Strafvordering

Art. 46bis.

§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing van de operator van een telecommunicatienetwerk of van de verstrekker van een telecommunicatiedienst vorderen:

1° de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een telecommunicatiedienst te identificeren;
2° de identificatiegegevens mee te delen met betrekking tot telecommunicatiediensten waarop een bepaald persoon geabonneerd is of die door een bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden.

In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan iedere officier van gerechtelijke politie, na mondelinge en voorafgaande instemming van de procureur des Konings, bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing deze gegevens opvorderen. De officier van gerechtelijke politie deelt deze gemotiveerde en schriftelijke beslissing en de verkregen informatie binnen vierentwintig uur mee aan de procureur des Konings en motiveert tevens de uiterst dringende noodzakelijkheid.

 § 2. Iedere operator van een telecommunicatienetwerk en iedere verstrekker van een telecommunicatiedienst van wie gevorderd wordt de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt de procureur des Konings of de officier van gerechtelijke politie de gegevens die werden opgevraagd binnen een termijn te bepalen door de Koning, op het voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Weigering de gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tienduizend frank.

Art. 47. Wanneer de procureur des Konings, buiten de gevallen van de artikelen 32, 46 en 46bis, door een aangifte of op enige andere wijze verneemt dat er een misdaad of een wanbedrijf in zijn arrondissement is gepleegd of dat iemand die van een misdaad of wanbedrijf verdacht wordt, zich in zijn arrondissement bevindt, kan hij vorderen dat de onderzoeksrechter een onderzoek zal bevelen en zelfs dat hij zich zo nodig ter plaatse zal begeven, ten einde aldaar alle nodige processen-verbaal op te maken, zoals bepaald in het hoofdstuk Onderzoeksrechters.

§ 4. SCHRIFTELIJKE BEWIJZEN, OVERTUIGINGSSTUKKEN EN OPSPOREN EN LOKALISEREN VAN TELECOMMUNICATIE.

Art. 88bis.

§ 1. Wanneer de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van telecommunicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van telecommunicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij, zo nodig door daartoe de medewerking van de operator van een telecommunicatienetwerk of van de verstrekker van een telecommunicatiedienst te vorderen :

1° de oproepgegevens doen opsporen van telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van telecommunicatie laten lokaliseren.

In de gevallen bepaald in het eerste lid wordt voor ieder telecommunicatiemiddel waarvan de oproepgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de telecommunicatie wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur, en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.

De onderzoeksrechter vermeldt de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de procureur des Konings.

Hij vermeldt ook de duur van de maatregel, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing.

In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bevelen voor de strafbare feiten die opgesomd worden in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter.

De procureur des Konings kan evenwel de maatregel bevelen indien de klager erom verzoekt, wanneer deze maatregel onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een strafbaar feit bedoeld in artikel 114, § 8, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.

§ 2. Iedere operator van een telecommunicatienetwerk en iedere verstrekker van een telecommunicatiedienst deelt de gegevens waarom verzocht werd mee binnen een termijn te bepalen door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tienduizend frank.

 § 6. AFLUISTEREN, KENNISNEMEN EN OPNEMEN VAN PRIVÉ-COMMUNICATIE EN TELECOMMUNICATIE

Art. 90ter. § 1. De onderzoeksrechter kan in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, privé-communicatie of -telecommunicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij geadieerd is een strafbaar feit is, bedoeld in een van de bepalingen opgesomd in § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van personen van wie op grond van precieze feiten vermoed wordt dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust.

 § 2. De strafbare feiten die een bewakingsmaatregel kunnen wettigen, zijn die welke bedoeld zijn in :

1° de artikelen 101 tot en met 110 van het Strafwetboek; (aanslagen tegen Staatshoofd, koninklijke familie en regering)
2° de artikelen 327, 328, 329 of 330 van hetzelfde Wetboek, voor zover een klacht is ingediend; (bedreigingen)
3° artikel 331bis van hetzelfde Wetboek; (aanslag met of diefstal van kernmateriaal)
4° artikel 347bis van hetzelfde Wetboek; (gijzeling)
4°bis de artikelen 368 en 369 van hetzelfde Wetboek (ontvoering van minderjarigen)
5° de artikelen 379, (...), 380bis of (...) van hetzelfde Wetboek; (exploitatie van prostitutie)
6° artikel 393 van hetzelfde Wetboek; (doodslag)
7° de artikelen 394 of 397 van hetzelfde Wetboek; (moord of vergiftiging)
8° de artikelen 470, 471 of 472 van hetzelfde Wetboek; (afpersing of diefstal met geweld)
9° artikel 475 van hetzelfde Wetboek; (doodslag om diefstal of afpersing te vergemakkelijken)
10° de artikelen 477, 477bis, 477ter, 477quater, 477quinquies, 477sexies of 488bis van hetzelfde Wetboek; (diefstal en afpersing van kernmateriaal)
11° artikel 505, eerste lid, 2° van hetzelfde Wetboek; (heling, witwasmisdrijven)
12° de artikelen 510, 511, eerste lid of 516 van hetzelfde Wetboek; (opzettelijke brandstichting)
13° artikel 520 van hetzelfde Wetboek, indien de omstandigheden bedoeld in de artikelen 510 of 511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek verenigd zijn; (opzettelijke ontploffing)
14° artikel 2bis, § 3, b, of § 4, b, van de wet van 24 februari 1921betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica; (drugsmisdrijven)
 15° artikel 114, § 8, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
(bedrieglijk gebruik van de telecommunicatie-infrastructuur)
16° artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en daaraan verbonden technologie; (illegale wapenhandel)
17° artikel 77bis, §§ 2 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; (handel in vreemdelingen)
18° artikel 10, ¢ 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale,beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
19° artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale,anabole, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica straffen worden gesteld;
20° de artikelen 3 en 5 van het koninklijk besluit van 5 februari 1990 betreffende sommige stoffen met beta-adrenergische werking, welke artikelen betrekking hebben op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen straffen worden gesteld.

Art. 90quater. §1. Tot iedere bewakingsmaatregel op grond van artikel 90ter wordt vooraf machtiging verleend bij een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter die de beschikking aan de procureur des Konings meedeelt.

Op straffe van nietigheid wordt de beschikking gedagtekend en vermeldt zij :

1° de aanwijzigingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter;
2° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen;
3° de persoon, het communicatie- of telecommunicatiemiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewaking;
4° de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, welke niet langer mag zijn dan één maand te rekenen van de beslissing waarbij de maatregel wordt bevolen;
5° de naam en de hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel.

§ 2. Indien de maatregel een bewerking op een communicatienetwerk inhoudt, is de operator van dit netwerk of de verstrekker van de telecommunicatiedienst ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen, wanneer de onderzoeksrechter hierom verzoekt.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot tienduizend frank.

Art. 90quinquies. De onderzoeksrechter kan de uitwerking van zijn beschikking één of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn.

De bepalingen vervat in artikel 90quater, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging bedoeld in het voorgaande lid. De beschikking vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen.

Indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 90ter noodzakelijk maken, kan de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 90ter en 90quater, in dat geval moet de beschikking de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.

Art. 90sexies. De opnamen verricht als gevolg van de maatregelen genomen met toepassing van de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies, worden samen met de overschrijving van de door de aangewezen officier van gerechtelijke politie voor het onderzoek van belang geachte communicaties of telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van het telecommunicatiemiddel waarnaar of van waaruit opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties door de aangewezen officieren van gerechtelijke politie aan de onderaoeksrechter toegezonden.

Onverminderd de selectie door de officier van gerechtelijke politie bedoeld in het vorige lid, beoordeelt de rechter welke van alle opgevangen inlichtingen, communicaties of telecommunicaties van belang zijn voor het onderzoek. In zoverre deze inlichtingen, communicaties of telecommunicaties niet overgeschreven of vertaald zijn overeenkomstig het eerste lid, moeten zij bijkomend overgeschreven en vertaald worden. De rechter laat daarvan proces-verbaal opmaken.

De communicatie of telecommunicatie die onder het beroepsgeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal. Gaat het om personen bedoeld in artikel 90octies, eerste lid, dan wordt ter zake gehandeld zoals bepaald in artikel 90octies, tweede lid.

De beschikkingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 90quater, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, worden uiterlijk na het beëindigen van de maatregel bij het dossier gevoegd.

Art. 90septies. De communicatie of telecommunicatie opgevangen als gevolg van de maatregelen die genomen zijn met toepassing van de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies, wordt opgenomen. Het voorwerp van de maatregel en de dagen en uren waarop deze is uitgevoerd, worden opgenomen bij het begin en op het einde van iedere opname die erop betrekking heeft.

Iedere aantekening in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bedoeld in het voorgaande lid door de daartoe aangewezen personen, die niet is opgetekend in een proces-verbaal, wordt vernietigd, met uitzondering van de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties van de opname, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties. De voor de uitvoering van de maatregel aangewezen officier van gerechtelijke politie gaat over tot deze vernietiging en vermeldt dit in een proces-verbaal.

De opnamen worden samen met de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan, de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties, en de afschriften van de processen-verbaal onder verzegelde omslag ter griffie bewaard.

De griffier vermeldt in een per dag bijgehouden, bijzonder register :

1° het neerleggen van iedere opname, alsook van de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties;
2° het neerleggen van ieder afschrift van procesverbaal;
3° de dag van de neerlegging ervan;
4° de naam van de onderzoeksrechter die de maatregel heeft bevolen of bevestigd en het voorwerp ervan;
5° de dag waarop de zegels zijn verbroken en in voorkomend geval opnieuw zijn gelegd;
6° de datum van de kennisname van de opname, de overschrijving van de van belang geachte communicaties en telecommunicaties, de eventuele vertaling ervan en de vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de telecommunicatiemiddelen van waaruit of waarnaar opgeroepen werd wat betreft de niet van belang geachte communicaties en telecommunicaties of van de afschriften van de processen-verbaal, alsook de naam van de personen die er kennis van genomen hebben;
7° iedere andere gebeurtenis die erop betrekking heeft.

De rechter spreekt zich uit over het verzoek van de inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadsman, om het geheel of gedeelten van de ter griffie neergelegde opnamen en overschrijvingen die niet zijn opgetekend in een proces-verbaal, te raadplegen, en over hun verzoek tot overschrijving van bijkomende delen van de opnamen.

Het verzoek dat gericht is tot de onderzoeksrechter, wordt behandeld overeenkomstig artikel 61quinquies. De onderzoeksrechter kan dit verzoek bovendien afwijzen om redenen die verband houden met de bescherming van andere rechten of belangen van personen.

Onverminderd hetgeen in de vorige leden is bepaald, spreekt de rechter zich uit over het verzoek van de inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadsman om de gedeelten van de ter griffie neergelegde opnamen van privécommunicatie of -telecommunicatie waaraan de betrokkene heeft deelgenomen en die niet zijn overgeschreven en opgetekend in een proces-verbaal, te raadplegen, en over hun verzoek tot overschrijving van bijkomende delen van deze opnamen.

Art. 90octies. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Dezelfden zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet wordt opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 90sexies, derde lid.

Art. 90novies. Uiterlijk vijftien dagen nadat de beslissing over de regeling van de rechtspleging definitief is geworden, stelt de griffier, op vordering van de procureur des Konings, iedere persoon ten aanzien van wie een maatregel bedoeld in artikel 90ter is genomen, schriftelijk in kennis van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.

Art. 90decies. De Minister van Justitie brengt elk jaar verslag uit aan het Parlement over de toepassing van de artikelen 90ter tot en met 90novies. Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van de duur van die maatregelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten.


ANDERE BEPALINGEN

Strafwetboek

HOOFDSTUK I. - DIEFSTAL EN AFPERSING

 Art.461. Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.
Met diefstal wordt gelijkgesteld het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik.

AFDELING II - MISBRUIK  VAN VERTROUWEN

 Art. 491. Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.


OSTC The PISA-project is financed by the OSTC, Belgian Federal Office for Scientific, Technical and Cultural Affairs (DWTC - SSTC).
Project description of PISA
URL: http://pisa.belnet.be/pisa/pisa.htm

PISA Home Page